Spelen vanut verbeelding

Spelen is de kunst


Kunst om de Levenskunst

Samen associëren en interpreteren

           X:       'Ach ja, …… Oh, eindelijk aangekomen, een goedemorgen!

          Y:      Ja, het is al laat, je stond wat te mijmeren?

          X:      Heb je het bij je?

          Y:      Wat weet jij daarvan?

          X:      ...

Goed observeren is een bron voor verbeelden ofwel fantaseren. Vanuit houdingen, onderlinge verhoudingen, gezichtsuitdrukkingen en stilstaande handelingen kun je situaties laten ontstaan. Daarbinnen kunnen attributen een speler helpen zich een rol voor te stellen. Door ermee te handelen komt de rol voor de speler tot leven. Denk hierbij aan een bril, hoofddeksel, jas, tas, theepot, tafel, telefoon of veger. De ruimtes waar de rollen in vertoeven vertellen veel over hun voorkeuren en gewoontes.

Woorden zijn nooit eenduidig, maar krijgen door hun context betekenis: wie zegt het en vooral hoe, wanneer en waar zegt iemand het tegen wie: 'Het' in de zinsnede 'Heb je het bij je', blijkt de ene keer een petitfour, de andere keer een code van de kluis of een ragebol, afhankelijk van de verschillende:

  • emoties: blij, verlegen, nieuwsgierig, achterdochtig;
  • rolfiguren: vreemdeling, man, vriendin, oma, kleindochter;
  • omgevingen: parkeergarage, salon, zolder;
  • contexten: na sluitingstijd, receptie, schoonmaak.

We staan hieronder nader stil bij woorden, houdingen, attributen en omgevingen.

Woordketting

Als variant op mijn tante gaat op reis en neemt mee … herhaalt ieder de eerdere woorden uit de kring en voegt een nieuw woord toe. Vervolgens start iemand met een verhaal waarin de genoemde woorden een plaats krijgen. Op ieder moment kan de verteller stoppen en brengt een ander het verhaal verder.

Halve zinnen – hele werelden

Vanuit halve zinnen (waarmee jij al richting geeft aan de opdracht), stukjes uit games, filmfragmenten, muziek–, tv–, theater-, of dansfragment, schilderij of beeld kun je met elkaar hele werelden associëren.

In het midden van een subgroep ligt het startmateriaal of staat de laptop waarop ze fragmenten kunnen bekijken. Eerste associaties borrelen op, ieder luistert of kijkt een tweede keer en komt tot nieuwe associaties of verbanden tussen eerdere vondsten. Van daaruit start iemand het verhaal en vullen anderen aan. 

Verhaalbrokken

Verzamel verhalen, ze moeten zich lenen voor het verdelen in, en weglaten van cruciale fragmenten. Vertel van een verhaal twee gedeeltes; de groep krijgt de opdracht de ontbrekende delen te verzinnen. Formeer drie groepjes die ieder de rollen verdelen. Nieuwe rollen mogen erbij komen. Ieder subgroep beantwoordt zelf de vragen: Wie zijn het, Waar speelt het verhaal zich af, Wat gebeurt er, Waarom en Wanneer gebeurt het.

Groep een vertelt wat er voorafging aan het vertelde.
Groep twee vertelt wat er tussen beide fragmenten gebeurde.
Groep drie vertelt hoe het ten slotte afloopt.

Variant

Laat de jongeren een verhaal in delen knippen en de delen tot een nieuw geheel combineren. Ze hoeven niet alles opnieuw te gebruiken.

Nabespreking

Wanneer begon het verhaal echt?
Wanneer was het eigenlijk al afgelopen, of had het verhaal geen einde?
Welk moment boeide het meest, waardoor kwam dat?
Welk moment boeide niet, waardoor kwam dat?
Welk moment verraste je, waardoor kwam dat?
Hoe wordt zo’n verhaal boeiender, spannender, verrassender? 

Associërend vertellen n.a.v. voorwerpen

Om de beurt mag iemand een voorwerp nemen en ermee bewegen. Door variatie in grootte, snelheid, stemming waarmee z/hij het voorwerp beweegt krijgen groepsgenoten associaties die ze vertellen. Lees verder

Met een lap wapperen,
Tevergeefs pogen om een houten kistje te openen,
Met een pen schichtig iets in de lucht schrijven, omkijkend of niemand kijkt
 

Associëren n.a.v. voorstellingen

Als je verhalen leest of luistert naar een vertelling zorgt jouw eigen voorstellingsvermogen voor beelden. Vaak zijn eerste reacties op voorstellingen ook eigen associaties en niet zo zeer echt waarnemen.  Theatervoorstellingen bieden toeschouwers eindeloze mogelijkheden om ontvankelijk te zijn voor verbeelding van anderen. Spelers, regisseur en vormgevers presenteren hun vormgegeven verbeelding.  Bij een gespeelde voorstelling is de ruimte voor eigen interpretatie kleiner, maar blijft altijd aanwezig. Laat hen ontdekken dat associëren geen waarnemen is.

Wie heeft er wel eens een boek gelezen dat later is verfilmd of in het theater werd gespeeld? Wie heeft ervaring met eerst lezen en dan zien, of andersom. Welke ontdekkingen deden sommigen? Welke volgorde heeft welke voorkeur en waarom? In welk geval werd je verbeelding het meest aangesproken?

 
Wie is wel eens naar een voorstelling gegaan na er veel verhalen van anderen over gehoord te hebben? Welke invloed hadden die verhalen op je kijkplezier, je interpretatie van het stuk?

Associeren n.a.v. omgevingen