Spelen vanut verbeelding

Spelen is de kunst


Kunst om de Levenskunst

Spelen vanuit een motief

(vrij naar Anne IJdema)

Warming-up
Je bent druk het lokaal aan het opruimen en vraagt op allerlei manieren hulp, willen jullie de stoelen even tegen de wanden zetten (vrolijk met veel energie, je hebt zin in de les), nee toch maar verspreid door de ruimte (geïrriteerd en gehaast, jullie moeten aan het werk), ach natuurlijk ze moeten in de kring staan (paniekerig, de inspecteur komt vandaag).

Bespreking
Als ieder dan eindelijk in de kring zit, vraag je hun rustig wat ze komend weekend gaan doen en waarom. De jongeren vertellen enkele voorbeelden, maar vragen wellicht ook verbaasd waarom ze zo met die stoelen moesten sjouwen. Je vraagt hun wat ze weten over doel en motief van een scène, of ze dat herkennen in hun weekendplannen en de stoelenverhuizing.

Een doel is wat je in een scène wilt bereiken, bijvoorbeeld een brood kopen.

Een motief is de drijfveer waarom je iets wilt. Je kunt hierbij refereren aan bijvoorbeeld een serie als Baantjer, waarbij de agent de moordenaar om haar motief vraagt.

Leg hun uit dat een motief iets belangrijks moet zijn. Vraag hun bijvoorbeeld motieven om in een bus te stappen: omdat het koud is, omdat je naar huis wilt, omdat je vriendin erin zit.

Vervolgens bedenk jij er één: omdat mijn huis in de brand staat en ik weet dat mijn twee honden nog binnen zijn. Je vraagt hun: welke scène zij willen zien, welke wordt spannender?

Leg hun uit dat het motief dat je kiest, ervoor zorgt dat ze als speler hun doel heel graag willen bereiken. Leg hun uit dat hoe groter het motief des te sterker het spel wordt.

Speltraining   Voorspel (ieder in de presentatie - opstelling)

Jij speelt een personage met doel en motief, zodat je duidelijk laat zien hoe je beide speelt. Vraag als tegenspeler iemand die niet blokkeert en goed accepteert. Je bouwt het stapje voor stapje op en laat hun zien hoe doel en motief werken, om een scène interessant te maken voor zowel de spelers als het publiek. Een voorbeeld:

De jongere speelt de bakker en jij komt om vijf minuten voor sluitingstijd twee bruine broden kopen. De eerste twee scènes bespreek je met je tegenspeler, de scènes zijn heel kort.

1)     A: Hallo, zo net op tijd, ik wou graag twee bruine broden.

 B : Alstublieft € 2,50 A: Alstublieft, Dankjewel, tot ziens.

Vraag aan het publiek is dit interessant? antwoord: NEE.

2)     A: Hallo zo net op tijd, ik wou graag twee bruine broden. B: Oh die heb ik niet meer.

      A: Nou wat jammer, ga ik wel naar een andere bakker. B: Tot ziens.

     Vraag aan het publiek: was dit interessant? antwoord: NEE.

3)    A: Hallo, zo net op tijd … honger zeg, heeft u twee bruine broden voor mij? B: Nee helaas, die heb ik niet meer. A: Dat meent u niet, ik heb zo’n honger (klein motief). Heeft u ze ook niet achter liggen? B: even kijken … Nee helaas. Ik heb nog wel iets anders in de aanbieding? A: Nou dan moet ik maar een krentenbol nemen.

Deze scène vinden de jongeren al interessanter. Dat is prima, laat ze na de vierde scène hun voorkeur uitspreken.

4)    Jij moet het brood hebben omdat er thuis tien kinderen zitten te zeuren om brood. Ze lusten geen witbrood en ook geen ander brood, omdat dat smaakt als duivenvoer. Ze huilen al de hele dag en jij wordt er helemaal gek van; je hebt er hoofdpijn van. Vanavond heb je ook nog een thuis bijbaantje, omdat Kees, Clara en Hugo nieuwe schoenen nodig hebben. (je gaat helemaal los, wordt boos, gaat huilen, smeken, dreigen,kortom alles wat maar indruk kan maken op medespeler en publiek. Je doet alles om je doel te bereiken)
Het publiek ziet dat een duidelijk motief een spannende en interessante scène oplevert.

Na deze voorbeelden laat je hen kiezen, welke scène ze het leukste vonden om naar te kijken. Jij hebt dus de taak om ervoor te zorgen dat de laatste scène de spannendste is.

Vervolgens laat je hen benoemen waardoor voorbeeld 4 het leukst en het spannendst was.

Spelsituatie

Hoge nood

In subgroepen bedenken ze een scène van het kaliber 4 en spelen deze voor elkaar.

Ze presenteren alle scènes meteen na elkaar. Ze kiezen als publiek na afloop de meest interessante scène en benoemen wiens spel op welk moment dat veroorzaakte.

Nabespreking

Je bespreekt de favoriete scènes op doel, motief, adequate acties van de personages, timing, uitstel, uitvergroting, voor zover die van toepassing zijn op de presentaties.